Navigation Path: Home > Publications > Monthly Bulletin > Editorials > 2011 > 10 maart 2011
In zijn op 3 maart 2011 gehouden vergadering heeft de Raad van Bestuur op basis van zijn reguliere economische en monetaire analyses besloten de basisrentetarieven van de ECB onveranderd te laten. De gegevens die sinds de vergadering van de Raad van Bestuur van 3 februari 2011 ter beschikking zijn gekomen, wijzen op een stijging van de inflatie, voornamelijk als gevolg van hogere grondstoffenprijzen. De economische analyse geeft aan dat de risico’s voor de vooruitzichten voor de prijsontwikkeling opwaarts gericht zijn, terwijl het onderliggende tempo van de monetaire expansie gematigd blijft. Recente economische cijfers bevestigen dat de onderliggende dynamiek van de economische bedrijvigheid in het eurogebied positief blijft; de onzekerheid blijft echter verhoogd. De huidige zeer accommoderende monetairbeleidskoers geeft aanzienlijke steun aan de economische bedrijvigheid. Het is van essentieel belang dat de recente stijging van de inflatie niet leidt tot breed verspreide inflatoire druk op de middellange termijn. Sterke waakzaamheid is geboden met het oog op het beperken van de opwaartse risico’s voor de prijsstabiliteit. Over het geheel genomen, blijft de Raad van Bestuur klaar staan om krachtig en tijdig op te treden om ervoor te zorgen dat de opwaartse risico's voor de prijsstabiliteit op de middellange termijn zich niet concretiseren. De blijvend stevige verankering van de inflatieverwachtingen is van essentieel belang.
De Raad van Bestuur heeft ook besloten de basisherfinancieringstransacties en de herfinancieringstransacties met een bijzondere termijn met een looptijd van één aanhoudingsperiode te blijven uitvoeren als vaste-rentetenders met volledige toewijzing, zolang als dat nodig is en ten minste tot het einde van de zesde aanhoudingsperiode van 2011 op 12 juli 2011. Bovendien heeft de Raad van Bestuur besloten de driemaands langerlopende herfinancieringstransacties, toe te wijzen op 27 april, 25 mei en 29 juni 2011, uit te voeren als vaste-rentetenderprocedures met volledige toewijzing. De rentetarieven bij deze driemaands transacties zullen worden vastgesteld op de gemiddelde rente bij de basisherfinancieringstransacties gedurende de looptijd van de betreffende langerlopende herfinancieringstransactie.
Zoals de Raad eerder heeft aangegeven, zullen de liquiditeitsverschaffing en de toewijzingsmethoden zo nodig worden aangepast, waarbij rekening zal worden gehouden met het feit dat alle buitengewone maatregelen die tijdens de periode van acute onrust op de financiële markten zijn genomen, gezien de opzet ervan tijdelijk van aard zijn. De Raad van Bestuur zal daarom alle ontwikkelingen gedurende de komende periode zeer nauwlettend blijven volgen.
Om te beginnen met de economische analyse: na de kwartaal-op-kwartaal stijging van het reële bbp van het eurogebied van 0,3% in zowel het derde als vierde kwartaal van 2010, blijven recente statistische publicaties en op enquêtes gebaseerde gegevens de positieve onderliggende dynamiek van de economische bedrijvigheid in het eurogebied aan het begin van 2011 bevestigen. Vooruitblikkend, zou de uitvoer uit het eurogebied moeten blijven worden ondersteund door het aanhoudende herstel van de wereldeconomie. Tegelijkertijd, rekening houdend met het relatief hoge niveau van het ondernemersvertrouwen in het eurogebied, zou de binnenlandse vraag in de particuliere sector in toenemende mate moeten bijdragen aan de groei, profiterend van de zeer accommoderende monetairbeleidskoers en de maatregelen die zijn genomen om de werking van het financiële stelsel te verbeteren. Het herstel van de bedrijvigheid zal naar verwachting echter enigszins worden geremd door het proces van balansaanpassing dat in diverse sectoren plaatsvindt.
Deze beoordeling wordt ook weerspiegeld in de door medewerkers van de ECB in maart 2011 samengestelde macro-economische projecties voor het eurogebied, die een reële bbp-groei op jaarbasis voorzien van tussen 1,3% en 2,1% in 2010 en van tussen 0,8% en 2,8% in 2012. Vergeleken met de door medewerkers van het Eurosysteem samengestelde macro-economische projecties van december 2010, zijn de onderzijden van deze marges opwaarts verschoven, hetgeen duidt op betere vooruitzichten voor zowel de mondiale economie – en dus voor de uitvoer van het eurogebied – als voor de binnenlandse vraag. De door medewerkers van de ECB in maart 2011 samengestelde projecties stemmen grotendeels overeen met de prognoses van internationale organisaties.
Naar het oordeel van de Raad van Bestuur zijn de risico’s voor deze economische vooruitzichten globaal in evenwicht, in een context van verhoogde onzekerheid. Enerzijds zou de wereldhandel sneller kunnen blijven groeien dan verwacht, waarmee de uitvoer van het eurogebied wordt ondersteund. Voorts zou het sterke ondernemersvertrouwen meer steun kunnen geven aan de binnenlandse economische bedrijvigheid in het eurogebied dan thans wordt voorzien. Anderzijds houden de neerwaartse risico’s verband met de aanhoudende spanningen in enkele segmenten van de financiële markten en de mogelijke doorwerking daarvan op de reële economie van het eurogebied. De neerwaartse risico’s houden tevens verband met verdere stijgingen van de grondstoffenprijzen, vooral met het oog op de hernieuwde geopolitieke spanningen, en met protectionistische druk en de mogelijkheid van een onordelijke correctie van mondiale onevenwichtigheden.
Wat de prijsontwikkelingen betreft, bedroeg volgens de voorlopige (flash) raming van Eurostat de HICP-inflatie op jaarbasis in het eurogebied in februari 2011 2,4%, tegen 2,3% in januari. De stijging van de inflatie begin 2011 is grotendeels het gevolg van hogere grondstoffenprijzen. De druk die voortkomt uit de scherpe stijging van de prijzen van energie en voedingsmiddelen is tevens waarneembaar in de beginstadia van het productieproces. Het is van cruciaal belang dat de stijging van de HICP-inflatie niet leidt tot tweede-ronde-effecten en daarmee tot breed verspreide inflatoire druk op de middellange termijn. De inflatieverwachtingen voor de middellange tot langere termijn dienen stevig verankerd te blijven in overeenstemming met de doelstelling van de Raad van Bestuur de inflatie op middellange termijn onder maar dicht bij 2% te handhaven.
De door medewerkers van de ECB samengestelde macro-economische projecties van maart 2011 voorzien in het eurogebied een HICP-inflatie op jaarbasis binnen een marge van 2,0% tot 2,6% in 2011 en van 1,0% tot 2,4% in 2012. In vergelijking met de door medewerkers van het Eurosysteem in december 2010 samengestelde macro-economische projecties zijn de marges voor de HICP-inflatie opwaarts verschoven. Dit is voornamelijk het gevolg van de aanzienlijke stijging van de prijzen voor energie en voedingsmiddelen. Benadrukt dient te worden dat de projecties zijn gebaseerd op futures-prijzen van grondstoffen vanaf medio februari 2011, en dat de meest recente olieprijsstijgingen dus niet in aanmerking zijn genomen. Bovendien dient te worden benadrukt dat in de projecties is uitgegaan van een aanhoudend gematigde binnenlandse vaststelling van prijzen en lonen.
De risico’s voor deze middellange-termijnvooruitzichten voor de prijsontwikkeling zijn van opwaartse aard. Deze houden vooral verband met hoger dan verwachte stijgingen van de prijzen van zowel energie als niet-energiegrondstoffen. Voorts kunnen stijgingen van indirecte belastingen en door de overheid gereguleerde prijzen sterker zijn dan thans wordt aangenomen als gevolg van de noodzaak van begrotingsconsolidatie in de komende jaren. Ten slotte houden de risico’s tevens verband met sterker dan verwachte binnenlandse prijsdruk in de context van het voortdurende herstel van de economische bedrijvigheid. Het loon- en prijsvormingsgedrag zou niet moeten leiden tot breed verspreide tweede-ronde-effecten voortvloeiend uit de hogere grondstoffenprijzen.
Wat de monetaire analyse betreft, daalde de twaalfmaands groei van M3 in januari 2011 tot 1,5%, van 1,7% in december 2010, terwijl de groei op jaarbasis van leningen aan de particuliere sector in januari toenam tot 2,4%, van 1,9% in december. Kijken we verder dan de bewegingen in de afzonderlijke maanden en de effecten van bijzondere factoren, dan bevestigen de tendensen in de groei van de ruim gedefinieerde geldhoeveelheid en die van de kredietverlening de beoordeling dat het onderliggende tempo van de monetaire expansie nog steeds matig is en dat de inflatoire druk op de middellange tot langere termijn beperkt zou moeten blijven. Tegelijkertijd heeft het lage niveau van de geldgroei en de groei van de kredietverlening tot dusver geleid tot slechts een gedeeltelijke vermindering van de grote hoeveelheden monetaire liquiditeit die zich voorafgaand aan de periode van financiële onrust in de economie had geaccumuleerd. Deze liquiditeit kan de prijsdruk die thans ontstaat in de grondstoffenmarkten markten als gevolg van de sterke economische groei en de ruime liquiditeit op mondiaal niveau, helpen absorberen.
Wat betreft de componenten van M3 nam het jaarlijkse groeitempo van M1 verder af tot 3,2% in januari 2011, hetgeen de huidige lage rentevergoeding op girale deposito's weerspiegelt. Tegelijkertijd is de rendementscurve aan het begin van het jaar wat steiler geworden, hetgeen impliceert dat de aantrekkelijkheid van in M3 begrepen kortlopende instrumenten blijft dalen in vergelijking met langerlopende instrumenten buiten M3 met hogere rentevergoeding.
Bij de tegenposten van M3 was de groei op jaarbasis van bancaire leningen aan de particuliere sector in januari het gevolg van een krachtiger kredietverlening aan zowel huishoudens als niet-financiële vennootschappen. De groei van de kredietverlening aan niet-financiële vennootschappen werd positief, uitkomend op 0,4% in januari, vanaf -0,2% in december, terwijl de groei van de kredietverlening aan huishoudens verder aantrok tot 3,1%, van 2,9% in december. Over het geheel genomen, is de kredietverlening aan de niet-financiële particuliere sector gedurende de afgelopen paar kwartalen geleidelijk sterker geworden, naarmate het economisch herstel aan dynamiek won.
De meest recente gegevens bevestigen tevens dat de banken zijn doorgegaan met het uitbreiden van hun kredietverlening aan de economie van het eurogebied, terwijl zij tegelijkertijd de totale omvang van hun balansen goeddeels onveranderd hebben gehouden. Het is van belang dat de banken, in een klimaat waarin de vraag toeneemt, de kredietverlening aan de particuliere sector blijven vergroten. Om aan deze uitdaging het hoofd te bieden, is het voor banken waar nodig van essentieel belang hun winsten te behouden, de markt aan te spreken om hun kapitaalbasis verder te versterken of de steunmaatregelen van overheden voor herkapitalisatie ten volle te benutten. Met name banken die thans beperkte toegang hebben tot marktfinanciering, dienen dringend hun kapitaal te verhogen en hun efficiëntie te verbeteren.
Samenvattend, de Raad van Bestuur heeft besloten de basisrentetarieven van de ECB onveranderd te laten. De gegevens die sinds de vergadering van de Raad van Bestuur van 3 februari 2011 ter beschikking zijn gekomen, wijzen op een stijging van de inflatie, voornamelijk als gevolg van hogere grondstoffenprijzen. De economische analyse geeft aan dat de risico’s voor de vooruitzichten voor de prijsontwikkeling opwaarts gericht zijn, terwijl de toetsing aan de monetaire analyse erop wijst dat het onderliggende tempo van de monetaire expansie gematigd blijft. Recente economische cijfers bevestigen dat de onderliggende dynamiek van de economische bedrijvigheid in het eurogebied positief blijft; de onzekerheid blijft echter verhoogd. De huidige zeer accommoderende monetairbeleidskoers geeft aanzienlijke steun aan de economische bedrijvigheid. Het is van essentieel belang dat de recente stijging van de inflatie niet leidt tot breed verspreide inflatoire druk op de middellange termijn. Sterke waakzaamheid is geboden met het oog op het beperken van de opwaartse risico’s voor de prijsstabiliteit. Over het geheel genomen, blijft de Raad van Bestuur klaar staan om krachtig en tijdig op te treden om ervoor te zorgen dat de opwaartse risico's voor de prijsstabiliteit op de middellange termijn zich niet concretiseren. De blijvend stevige verankering van de inflatieverwachtingen is van essentieel belang.
Wat het begrotingsbeleid betreft, dienen alle overheden in 2011 hun begrotingsconsolidatieplannen volledig uit te voeren. Indien nodig, dienen aanvullende corrigerende maatregelen snel te worden doorgevoerd om vooruitgang te boeken bij het bereiken van houdbare overheidsfinanciën. Na 2011 dienen landen in hun meerjarige aanpassingsprogramma's ambitieuze en concrete beleidsmaatregelen te specificeren, ter schraging van de geloofwaardigheid van hun begrotingsconsolidatiedoelstellingen voor het waarborgen van een snelle correctie van buitensporige tekorten en de terugkeer naar een begrotingspositie van nabij evenwicht of in overschot. Versterking van het vertrouwen in de houdbaarheid van de overheidsfinanciën is van essentieel belang, aangezien dit de renterisicopremies zal verminderen en de voorwaarden voor solide en duurzame groei zal verbeteren.
Tegelijkertijd is het van cruciaal belang dat substantiële en verregaande structurele hervormingen ten uitvoer worden gelegd in het eurogebied om het groeipotentieel, het concurrentievermogen en de flexibiliteit te versterken. In het geval van de productmarkten, dienen vooral het beleid gericht op versterking van concurrentie en innovatie verder te worden voortgezet. Op de arbeidsmarkt moet prioriteit worden gegeven aan vergroting van de loonflexibiliteit en versterking van de prikkels tot werken, en aan het wegnemen van arbeidsmarktrigiditeiten.
De huidige overheidsschuldcrisis in het eurogebied heeft de noodzaak versterkt van een ambitieuze hervorming van het economisch-bestuurskader van het eurogebied. De Raad van Bestuur van de ECB is van mening dat de wetgevende voorstellen die naar voren zijn gebracht door de Europese Commissie zullen bijdragen aan de verbetering van het economisch en begrotingstoezicht in het eurogebied. Zij vormen echter niet de “grote sprong voorwaarts” op toezichtgebied die nodig is om de goede werking van de Economische en Monetaire Unie te waarborgen. Zoals uiteengezet in het advies van de ECB van 17 februari 2011 inzake deze voorstellen, is er behoefte aan strengere eisen, meer automatisme in de procedures en een duidelijker focus op de meest kwetsbare landen die aan concurrentievermogen hebben ingeboet, om ervoor te zorgen dat het nieuwe kader op de lange termijn inderdaad doeltreffend zal zijn.
Deze uitgave van het Maandbericht bevat een artikel waarin de kernelementen van de hervorming van het economisch bestuur in het eurogebied worden gepresenteerd.
Bovenkant pagina